Zucht, Bali… Het eiland van de goden. Met oneindige rijstvelden, jungles, heerlijke stranden is het dé place to be voor digital nomads. Toen ik begin 2020 besloot om mijn reizende leven op een iets lager pitje te zetten en een paar weken/maanden naar Bali te gaan, kon ik niets bedenken waarom dat geen goed idee zou zijn. Het zou er barsten van de digital nomads zoals ik, veel werkplekken en de sfeer zou er heerlijk zijn. Little did I know. Ik kwam er al gauw achter dat Bali – en het plaatsje Canggu in het bijzonder – het niet helemaal was voor mij. In deze blog vertel ik waarom Canggu in Bali niets aan is.

Als je houdt van zien en gezien worden, als je houdt van een overload aan (westers) toerisme en en als je houdt van veel lawaai, drukte, uitgaan en meer van zulks, dan is Canggu op Bali echt jouw plek. Persoonlijk hou ik meer van echte en authentieke plekken waar je vooral in het lokale leven duikt en dat is in Canggu nog nauwelijks mogelijk.

Toen Canggu nog een klein vissersdorpje was waar de bevolking zelfvoorzienend was en het handjevol restaurants in de weinige straten van Canggu nog gewoon nasi, rendangs en saté op hun menukaarten hadden staan lijkt een eeuwigheid geleden. Die tijden zijn vervlogen en hoewel het er vandaag vast weer heel anders is dan voordat de pandemie over de wereld raasde, toch wil ik even vertellen waarom Canggu niets aan is.

Lees ook: Joehoe! Ben even zes weken op Bali!

 

 

WAAROM CANGGU OP BALI NIETS AAN IS

Nu het februari is (en het koud en grijs in Nederland is), denk ik vaak terug aan een jaar geleden toen ik twee maanden lang met roodverbrande schouders op m’n scootertje door de straten van Canggu reed. Elk dag ging ik er op zoek naar een ander tentje om m’n laptop open te klappen. En ondanks dat ik er in een fijne vibe kwam (Canggu is namelijk heel geschikt om remote te werken) en heel wat werk heb verzet, vond ik Canggu zelf maar weinig aan.

En omdat Bali altijd de hemel wordt ingeprezen alsof het de hemel zelf is en er heus ook ongetwijfeld heel veel authentieke, mooie, natuurrijke plekken te vinden zijn (ik was eigenlijk alleen maar in Canggu), wil ik ook even een tegengeluid laten horen. Want ik reisde naar meer dan veertig landen en ik vond overal wel iets, maar in Canggu vond ik behalve veel lawaai, drukte, afgetrainde, gebruinde lijven op veel te grote motoren en veel hippe smoothiebowls helemaal niets.

Begrijp me niet verkeerd. Ik was er twee maanden en het leven is er wat je noemt heel convenient. Het is er redelijk goedkoop, voor 300 euro per maand heb je een fijne kamer met warme douche en schoonmaak. De wegen zijn er redelijk goed, een scooter is zo gehuurd, taxi’s rijden af en aan, food delivery is altijd maar een Gojek verwijderd en zo kan ik nog wel even doorgaan. Het klinkt als een sprookje, alsof het too good to be true is en dat is het eigenlijk ook. Canggu heeft door dit alles een enórme aantrekkingskracht op toeristen en die bepalen dan ook voornamelijk het straatbeeld. Canggu is een beetje een karikatuur geworden en lijkt z’n authenticiteit te zijn verloren.

 

1. Het is er ongelooflijk toeristisch

Tijdens al mijn reizen en alle plekken waar ik kwam, was ik nog nooit op een plek waar het zó toeristisch was. Ik begrijp natuurlijk dat ik er zelf aan meedoe en voordeel van het nadeel is dat ik dat maar weer even goed besefte. Want wat is mijn aandeel aan deze chaos? Ook al was ik er in de hoedanigheid van digital nomad en niet zozeer als vakantietoerist of backpacker, toch draag je als nomad juist ook bij aan het straatbeeld van westerlingen op lawaaierige scooters.

Canggu voelde door al die toeristen alsof het niet een echte plek was. Alsof het een attractiepark was. Maar niet alleen de toeristen zelf gaven dat gevoel, vooral ook de manier waarop alles gericht is op die westerse toerist. Menukaarten in de veel te hippe restaurants barsten van de capuccino’s met amandelmelk, gezonde smoothiebowls en avocado’s on toast, die je ook gewoon bij een hippe tent in de Pijp in Amsterdam kunt krijgen. De aankleding is dan zogenaamd Balinees, maar in werkelijkheid is het niet echt Balinees-Balinees. Een echte Balinees ontbijt ‘s ochtends echt niet met een Acaibowl of Eggs Benedict in een rotan loungestoel met beige kussens. Dat doet alleen de toerist in Bali.

Canggu is voor mensen die naar Azië willen zonder echt in Azië te willen zijn. Voor mensen die van een lekker zonnetje houden, van good vibes en het heerlijke relaxte leven, maar tegelijkertijd gewoon hun ding willen blijven doen. En op Canggu kan dat. Er zijn maar weinig plekken waar je als westerse toerist (nomad, vakantieganger of backpacker) gemakkelijker in het lokale leven rolt dan in Canggu en dat zegt eigenlijk genoeg. Reizen betekent voor mij ontdekken, onderdompelen en soms zelfs transformeren, zeker wanneer je alleen gaat, maar dat ervaarde ik in Canggu geen van drie. En ondanks dat ik er fijne gesprekken voerde met open minded mensen (want die kom je er natuurlijk wel veel tegen, Canggu is een van de grootste nomad hubs ter wereld), is Canggu het niet voor mij.

Dit heeft natuurlijk ook een keerzijde, want het kan ook heel mooi zijn. Een stel chillende Australiërs op het strand pal naast een Balinese ceremonie kan gewoon in Canggu. Al die verschillende mensen met al die verschillende achtergronden, of ze nou lokaal, Europees of Australisch zijn, leven allemaal in harmonie samen in een piepklein dorpje en hoe chaotisch het ook is, zolang de zon schijnt en iedereen in die fijne vibe leeft, gaat het allemaal goed. Ik denk dat je dat nergens ter wereld vindt.

 

2. Veel hipsters

Bij het woord toeristisch denk ik vaak aan grote all inclusive hotels met enorme zwembaden aan een lang strand waar je ‘s ochtends al voor het ontbijt je handdoekje moet uitrollen op een van de ligbedjes bij de poolbar. Zo is Canggu niet. Het gemiddelde publiek dat op Canggu afkomt zijn vooral juist jongeren die voor een net iets ander leven kiezen dan leeftijdsgenoten. Backpackers die een wereldreis afsluiten op Bali (of er juist beginnen), digital nomads die er een paar maanden blijven, mensen die door de zwaarte van het drukke leven op retraite komen of gewoon stelletjes die lekker een paar weken vakantie vieren.

Wat al deze mensen vaak gemeen hebben? Een heel hoog gehalte waarvan ik niet zo goed weet hoe ik het moet noemen. Jongens en meiden die nogal met hun uiterlijk bezig zijn (of heel recalcitrant juist niet). Zien en gezien worden. Weinig authenticiteit. Alsof je dwars door de Instagram-feed van een beroemde influencer rijdt. Persoonlijk vind ik dat echt ronduit verschríkkelijk.

Dat de spirituele wereld voor Balinezen belangrijker is dan de materiële is ongetwijfeld op veel plekken op Bali merkbaar en voelbaar, maar niet in Canggu. Allesbehalve. En dat is mede waarom Canggu op Bali niets aan is.

 

3. De wegen van Canggu zijn enorm druk

Dacht ik voordat ik naar Bali ging en las over uitlaatgassen en veel verkeer op het eiland dat dat wel zou meevallen. Ik was wel vaker op drukke plekken en ik las bovendien dat vooral Canggu een rustig dorpje zou zijn, maar toen ik er eenmaal voor het eerst met m’n scooter op pad ging bleef ik mezelf maar in m’n hoofd wijsmaken dat na de volgende bocht, het vást rustig zou worden. Dat was een utopie, want rustig werd het nooit.

Toen ik een dag ging scooteren naar Ubud verwachtte ik dat ik tussen de twee plaatsen overvallen zou worden door de schoonheid van knalgroene rijstvelden (zoals ik veel had gelezen), maar dat was het allesbehalve. Ik bleef maar hopen op een rustige weg, op een stukje natuur, maar die was tevergeefs. Het was óveral druk. Bómmetje vol. Er leven op Bali bijna 4,5 miljoen mensen op nog geen zesduizend vierkante meter, so you do the math. Het kan niet anders dan chaotisch zijn.

Canggu is geen rustig, authentiek vissersdorpje meet. Hoewel je er in no time uit bent en weliswaar meteen tussen rijstvelden rijdt, ben je er nooit alleen. Zelfs op de wegen tussen de rijstvelden is het druk. Canggu stinkt, is lawaaierig en altijd druk. En dit is misschien wel de belangrijkste reden waarom Canggu op Bali niets aan is.

 

4. De toeristen zijn heel erg op zichzelf

Al loop je in je blote billen over straat, er is nauwelijks iemand die het opmerkt. De Balinezen in Canggu zijn ongelooflijk vriendelijk, of dat nou de mensen van je guesthouse, een masseur of een ober is. Maar wanneer je over straat loopt of rijdt te midden van alle hierboven genoemde zogenaamde hippe mensen, is er nauwelijks iemand die je aankijkt of groet. Af en toe ontstaat er ergens een praatje met een gelijkgestemde op een terrasje, maar dat is in mijn twee maanden in Canggu maar zo’n drie keer gebeurd.

Het maakt niet uit welk tentje je binnenstapt om iets te eten of drinken, er zit altijd wel iemand achter z’n laptop en ik ben daarin guilty as charged. Ik werkte er vooral in drie tentjes die ik heel fijn vond zowel qua personeel als locatie, maar eigenlijk is het bizar dat je een hele middag een stoel bezet houdt en slechts een koffie en een broodje bestelt. De restaurants en lunchtentjes zijn eigenlijk allemaal werkplekken voor hippe digital nomads, terwijl er ook heuse coworking spaces zijn.

Al die Apple logo’s op opengeklapte laptops maken het er niet bepaald gezelliger op. Mensen achter hun laptop zijn bovendien niet bepaald benaderbaar en zitten nogal in hun eigen bubbel. En nogmaals, daarin was ik evengoed guilty as charged. Ben je als digital nomad in Canggu, dan zal het je niet zoveel kunnen schelen, maar ben je er op vakantie, dan kan ik me voorstellen dat dat niet bepaald bijdraagt aan je vakantiegevoel.

Lees ook: Werken op Bali? Dit zijn drie fijne werkplekken in Canggu

 

5. De stranden van Canggu zijn niet per se heel mooi

Ik ben behoorlijk verwend want ik woonde ooit vijf jaar lang aan het strand op Curaçao en dat was echt beyond. Bovendien had ik dat strand zelfs weleens voor mezelf, kon ik er naar toe wanneer ik wilde en hoefde ik niets te betalen. What a privilege, I know en ik merk dat waar ik ook kom, ik de stranden vergelijk met mijn bevoorrechte situatie van toen. In Canggu zijn de stranden niet bepaald wit of rustig en worden ze bovendien geowned door beachclubs waar je entree moet betalen die óók nog eens een zogenaamde minimum spend(t?) hanteren, om er maar eens een hippe term in te gooien. Je mag er naar binnen, maar alleen als je er minstens dertig euro uitgeeft. Hoe bedenk je het?

 

6. Canggu heeft geen centrum, geen hart

Voor een stedentrip in een fijne stad kun je me ‘s nachts wakker maken en van door dorpjes struinen in gebieden waar ik nog nooit was krijg ik altijd kriebels in m’n buik. Ik hou van mooie pleinen, kathedralen, moskeeën of tempels en karakteristieke gebouwen langs mooie wegen of aan pleinen. De tempels in Canggu zijn mooi en niet op één hand te tellen en doordat het er zoveel zijn, voel je dat je in Canggu heus in Bali bent. Fijn. Maar Canggu heeft geen centrum, geen hart. Geen centraal plein, geen gezelligheid. Canggu is niets anders dan een paar straten vol verkeer met aan weerszijden wat gebouwen. Alsof je er niet echt bent, alsof het niet echt een plaats is.

 

7. Canggu is helemaal niet zo goedkoop

Hoewel ik er voor 300 piek per maand kon overnachten, een literfles water in de supermarkt dertig cent kostte en ik m’n scooter voor omgerekend vijf euro kon volgooien, was het eten in restaurants niet bepaald goedkoop. Op zich hebben restauranthouders natuurlijk groot gelijk met wat hogere prijzen, en al helemaal als die restauranthouders Balinezen zijn, maar ik geloof dat Canggu een van de duurste plekken van Indonesië is. Ik was op verschillende plekken in Azië waar ik soms achterover viel van de lage bedragen, maar dat was in Canggu echt even anders.

 

8. Balinezen lijden eronder (en ook weer niet)

Ik kom zelf uit een klein dorp. Ik ben geboren en getogen in Denekamp en daar wonen net tienduizend mensen. Het idee dat mijn dorp 365 dagen per jaar zo enorm overspoeld zou worden door toeristen die volledig hun eigen ding doen, met dure bankbiljetten komen zwaaien en de boel soms lijken over te nemen kan ik me eigenlijk niet voorstellen. De ongelijkheid in de wereld is in Canggu heel merkbaar. Het verschil tussen west en oost, de white privilege, het gevoel dat ‘wij’ zo’n dorpje op een eiland voor en van onszelf maken is bizar. 

Natuurlijk profiteren Balinezen van het toerisme, maar de meeste hotels, restaurants en andere toeristenplekken worden geownd door niet-Balinezen. En natuurlijk zorgen zij voor werkgelegenheid onder de bevolking, maar zij betalen de bevolking vervolgens in lokale waarde. Als Balinees ben je weliswaar van de straat met zo’n baan, maar rijk word je er niet van, terwijl de eigenaren en investeerders dat wel worden. Dat is niet alleen op Bali zo, dat is op veel toeristische plekken op onze mooie wereld en en vooral op eilanden.

Ik denk dat ze het tolereren, dat ze zich erbij neerleggen. Want zonder toerisme zijn ze weer aangewezen op het vangen van vis of het telen van rijst en is het hebben van een iPhone of tv thuis slechts een utopie. It’s how the world works, maar nu we met de hele wereld tijdens de pandemie zó rustig leven, laten we vooral stilstaan bij deze situaties. Want het is my belief dat dat virus er met een reden is en het zou zomaar kunnen zijn dat die rust maar schijn is en er op een dieper level heel wat wordt opgeschud. Ik hoop het!

 

Meer Bali?

ALLE ARTIKELEN OVER BALI