Vijf november 2015: de eerste dag van negen weken

Het is vandaag donderdag 5 november 2020. Vijf november. Tweeduizendtwintig. Vijf jaar geleden viel 5 november ook op een donderdag en die dag is in m'n geheugen gekerfd voor de rest van m'n leven.

Toen ik die ochtend wakker werd, opstond, me aankleedde en naar m’n werk ging zoals ik dat elke dag deed wist ik nog niet wat er later die dag zou gebeuren. Dat mijn leven voorgoed zou veranderen. Dat het zelfs de laatste ‘normale’ ochtend in mijn eigen huisje zou zijn. Ik had nog geen idee wat mij – en al mijn loved ones – de weken erna zou overkomen.

 

 

Dat ik die avond tegenover mijn vriendin – die als verpleegkundige werkt en die avond had gewerkt – in de donkere, uitgestorven ziekenhuishal zou zitten; daar had ik geen idee van. Die hal waar ik vroeger als kind zo vaak met een knoop in m’n maag naar binnen was gelopen omdat mijn vader weer eens in het ziekenhuis lag. En waar ik een jaar eerder nog juist heel vrolijk naar binnen was gewandeld omdat m’n nichtje er ‘s ochtends was geboren. Die hal, waar ik 19 dagen later in m’n eentje uit zou weglopen, me voornemend dat ik er nooit meer een voet zou binnen zetten. Daar zat ik die avond.

Ik zei eigenlijk niet zoveel. Want geen woorden of zinnen zouden kunnen uitleggen wat er in mij omging,. Alsof er een bom was ontploft, alsof de grond onder mijn voeten was weggeslagen en verdwenen. En ik wist toen we in die vooravond hoorden wat er misschien aan de hand was, intuïtief dat het leven dat ik tot nu gekend had voorgoed zou veranderen. Aan de oppervlakte veranderde het al veel vaker, maar nu zou het dieper gaan. Fundamenteler. Terwijl alles nog open lag en niets definitief was.

 

Wat er aan de hand was

Die middag belde m’n tante. Zo tegen vier uur terwijl ik volledig omkwam in het werk, zag ik dat ze m’n voicemail had ingesproken. Ergens voelde ik meteen dat dat niet goed was, want mijn tante belde mij nooit, dus er moest wel iets ergs zijn. Ik luisterde hem af, hoorde wat ze zei en alles in mij begon te razen, te tollen en te draaien. Mijn hart begon vijf keer zo snel te kloppen en ik voelde de grond onder m’n voeten niet meer.

Ik legde m’n telefoon weg, sloeg m’n handen voor m’n gezicht en voelde al meteen tranen opkomen. “Ik word niet goed!” riep ik en twee collega’s snelden zich naar me toe en alsof ik ieder moment kon flauwvallen herhaalde ik met trillende stem wat ik zojuist m’n tante’s stem tegen me had horen zeggen.

“M’n moeder ligt in het ziekenhuis,” zei ik. “Dat is niet goed. Dat klopt niet.”

Want mijn moeder lag nooit in het ziekenhuis. Dat gebeurde gewoon niet. Ze was sterk en stond altijd voor ons klaar; alles waar zij voor staat en wat haar typeert hoorde niet in een ziekenhuis. Ik wist meteen dat het niet klopte. M’n collega’s vroegen me waarom ze er lag, maar ik kon het nauwelijks navertellen. Iets met haar longen en haar hart. Benauwd was ze ook. Ik luisterde nog een keer naar de voicemail, maar begreep het nog steeds niet. Ik wilde hier weg. Ik wilde naar m’n moeder, naar mama en wel nu.

 

En toen kwam de dokter

Mijn collega bracht me. Bij de ingang van het ziekenhuis stond m’n broer in z’n blauwe jack me op te wachten, terwijl m’n andere broer nota bene op vakantie in Nieuw Zeeland was. In m’n pantalon, op m’n hakken en met m’n tasje over m’n schouder liep ik samen met hem de ziekenhuishal binnen. Naar de lift, omhoog naar de afdeling waar mama zou zijn. En daar was ze. In een kamertje op een bed aan het raam waarachter het inmiddels al bijna donker was. M’n tante naast haar.

“Wat doe jij nou voor geks?” vroeg ik haar, terwijl ik haar een knuffel gaf. “Wat moet je nou hier in het ziekenhuis?”

Dat ze benauwd was die dag, zei ze. En dat ze de dokter had gebeld. Ze was naar hem toe gegaan en vanuit daar met een ambulance naar het ziekenhuis gegaan. Ze had niemand gebeld, ze was alleen. In het ziekenhuis zouden ze haar onderzoeken. En toen de arts het tijdens het onderzoek over een longembolie had werd ze bang en belde ze haar zus. M’n tante kwam meteen en een uur later sprak ze het voicemailbericht in.

Bijna alles ging langs me heen. Ik wist heus wel waar ik was, maar snapte niet waarom we nog in het ziekenhuis waren en niet al in de auto op weg naar huis zaten. Alsof we ergens op wachtten en ik niet wist waarop. Waarom mama niet opstond van het bed waar ze niet eens echt in lag. Maar toen kwam de dokter binnen. En begreep ik in een keer dat ze de de uitslag van de onderzoeken kwam brengen. Daar zaten we dus op te wachten.

 

Dus ik ga dood? vroeg ze

Ze nam ons mee naar een kamertje en dat was vast in verband met de privacy. We namen plaats aan een tafel in een kamer die rechtstreeks uit de jaren ’80 kwam en me meteen deed denken aan hoe we vroeger als kind door dit ziekenhuis dwaalden en in dit soort kamertjes uitkwamen. De bezorgde blik van de dokter viel me niet eens meteen op, noch de verpleegkundige die overduidelijk klaar leek te zitten om ons op te vangen.

Maar de bedrukte stemming zei meteen meer dan honderdduizend woorden. Want het nieuws dat uit de mond van de arts kwam was niet fraai. De exacte woorden en zinnen herinner ik me niet, maar ik hoorde woorden als benauwd, longen, lymfeklieren, onderzoeken en nog meer dingen die ik niet over mijn moeder wilde horen. Die in mijn beleving niet eens over haar kónden gaan. En toch werden ze gezegd, redelijk voorzichtig, maar wel duidelijk.

“Dus ik ga dood?” vroeg ze.

Typisch mama, dacht ik. Meteen vragen of ze dood gaat. Dénken dat ze dood gaat. Bam. Niet eerst laten bezinken wat er gezegd wordt of welke mogelijkheden er misschien zijn. Of misschien voelde ze het al wel. Dat kon alleen zij weten. Misschien voelde haar lijf al wel anders, dat het zich klaar aan het maken was voor wat er komen zou. Maar misschien was het ook gewoon haar angst die het meteen van haar overnam en haar meteen het ergste toesprak. Want dat gebeurde wel vaker.

 

Dit zou heus niet dramatisch aflopen, dat kón gewoon niet

Ik weigerde te geloven dat ze dood zou gaan. Ik kon daar gewoon niet bij. Nog niet. Ik dacht altijd dat omdat we zo jong onze vader waren verloren, mijn moeder een dubbel lang leven zou hebben. Of dat ze tenminste gewoon oud zou worden. Dat m’n nichtje haar zou leren kennen en ze van elkaar konden genieten. Niet een paar maanden, maar jaren. Decennia liefst. En dat er nog veel meer kleinkinderen zouden komen.

Zodat ze een tweede kans zou krijgen. Nu als oma en op de juiste manier. Zonder dat haar man ziek zou worden en dood zou gaan en vervolgens alles – ook de mooie dingen – met een zwarte rand zou omlijsten. Het zou alleen maar mooi worden. Dat zag ik voor me voor haar. Altijd al. Dus dit zou heus niet dramatisch aflopen, dat kón gewoon niet.

Ze moest blijven die nacht. En de volgende dag zou ze meteen een onderzoek krijgen. Ik voelde me opeens heel sterk met haar verbonden en wilde met elke vezel in m’n lijf bij haar zijn en blijven. Voelde me weer kind, haar kind en wilde het liefst in haar kruipen. Ze werd weer helemaal mijn moeder zoals ze vroeger was. Hoe ik bij haar op schoot zat en tegen haar aan lag. Haar ademhaling voelde en haar rook. Ik wilde nu nergens anders zijn dan bij haar, al hadden we onder een brug moeten slapen.

 

Alsof ik zweefde en alle vastigheid was verdwenen

Ik liet me door de man van m’n nichtje die inmiddels ook waren aangekomen, naar huis brengen om m’n spullen te halen en appte m’n vriendin. Ik vertelde haar wat we zojuist te horen hadden gekregen en ze appte terug dat ze in the building was, aan het werk. Dat we elkaar na haar dienst zouden treffen. En zo zaten we in de duisternis van die koude novemberavond in de verlaten ziekenhuishal. Zonder dat ik had gegeten of gedronken, totaal verdoofd, volledig overgenomen door adrenaline dat door m’n lijf schoot. Alsof ik zweefde en alle vastigheid was verdwenen.

Toen ik terug op haar kamer kwam stond er een extra bed waarin ik mocht slapen. En toen de lampen uitgingen, we elkaar heel hard hadden geknuffeld en we elkaar welterusten hadden gezegd rolde ik mezelf op onder de ziekenhuisdekens. Mijn hart ging tekeer, er zat een brok in m’n keel en mijn slaap kwam niet. Een enórm verschrikkelijk gevoel had zich meester van me gemaakt. Ik maakte mezelf klein, alsof ik weer een kind was dat bescherming nodig had maar dat nergens kon vinden. En ik wist right then and there… ik moet dit zelf doen. Mezelf die kracht en bescherming geven. En dat ga ik doen. Ik ga dit kunnen.

Wat er ook gebeurt, hoe dit ook afloopt. Ik ga haar verzorgen, zo lang als het nodig is. Hoe moeilijk en hoe zwaar het ook gaat zijn. Haar verliezen is het állerergste dat kan gebeuren, maar ik ga dit doen. Ik moet. Er ontstond iets, een gevoel dat ik nog niet eerder had gevoeld. De zwakte in mij maakte plaats voor kracht. Een enorme krachtige kracht. En wat ik nog niet wist, is dat ik die enorm hard nodig zou hebben.

 

Wordt vervolgd…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

RELATED POSTS